‘We zien mensen niet als een optelsom van problemen’

Christiaan Sleurink is sinds 2022 directeur-bestuurder van Wijkteams Arnhem. Van huis uit is hij maatschappelijk werker. Sleurink werkte 25 jaar bij het Leger des Heils, waarvan de laatste jaren als regiodirecteur Flevoland.

Wat is jouw rol bij Wijkteams Arnhem, en wat drijft jou?

‘Wat mij in dit werk drijft, is een fundamentele vraag: hoe zorgen we ervoor dat mensen in verbinding blijven met hun omgeving, ook als het moeilijk gaat? Het kan niet zo zijn dat professionals vragen oplossen die we ook samen als inwoners op kunnen lossen. Dat we het afleren om naar onze medemens om te zien. Maar álle mensen zijn de samenleving. Of je nou terminaal ziek bent, een kind van één of dakloos bent. We hebben het met elkaar te doen.’

Voor mensen die Wijkteams Arnhem nog niet kennen: wat doen jullie precies?

‘Het mooiste zou zijn als iedere inwoner van Arnhem weet: als ik hulp nodig heb want ik kom er zelf niet uit, en het lukt ook niet om in mijn eigen netwerk een oplossing te vinden, dan kan ik bij het wijkteam terecht. Deze mensen, onze coaches, komen langs voor een kop koffie aan de keukentafel. Zij luisteren, nemen de tijd en helpen mij een plan te maken. Wij zeggen: van melding naar keukentafel, van verhaal naar plan. Daar zit ook het ‘vertragen’ in. In dat vertragen zit de essentie: kijken of in de wereld rondom die inwoner ook nog kracht zit waarmee die inwoner verder kan. Is er familie, een buurvrouw die wat kan betekenen?

De vragen waarmee mensen bij ons komen, lopen enorm uiteen. Dat gaat van een kind dat naar de basisschool gaat maar nog niet zindelijk is, tot een oudere inwoner die het huishouden niet meer kan doen na een heupbreuk. Van ouders in een scheiding die er samen niet uitkomen tot een jongere met een psychiatrische hulpvraag of iemand die beschermd wonen nodig heeft. En dan hebben we nog collega’s die het onderwijs ondersteunen.

Wij zijn er dus echt voor inwoners van nul tot honderd. Dat doen we met 250 professionals in acht wijkteams en vier stadsteams. Jaarlijks krijgen we ongeveer 3.000 nieuwe ondersteuningsvragen van inwoners, en in totaal zijn we jaarlijks bij 13.000 inwoners betrokken.’

Waar loopt Wijkteams in de Arnhemse praktijk tegenaan?

‘De grootste belemmering is de versnippering van het systeem. We hebben hier in Arnhem te maken met 250 zorgaanbieders die begeleiding en behandeling bieden. Er zijn 120 welzijnspartijen die subsidie krijgen – bijna allemaal voor activiteiten, waardoor samenwerken aan maatschappelijke doelen moeilijk wordt. Dat maakt het voor inwoners én professionals onnodig ingewikkeld. Wij als wijkteams Arnhem zijn de spin in het web. Dat maakt de uitvoering van ons werk niet makkelijker.

Daar komt nog iets bij. In Nederland is de neiging ontstaan om voor veel vragen meteen naar individuele professionele hulp te kijken. Terwijl de eerste vraag vaak zou moeten zijn: wat kan iemand zelf, met zijn netwerk, met de wijk, met het collectief? Die omslag is lastig, omdat het systeem jarenlang anders is ingericht.

Stel, ik ben een jonge vader, net gescheiden. De ene week is mijn zoontje bij mij, de andere week bij mijn ex. Dat vind ik best lastig en ik kan wel wat hulp bij de opvoeding gebruiken. Hoe mooi zou het dan zijn als ik elke dinsdagochtend op de basisschool met nog vijf andere vaders samen kon komen? Hoe doen we dit? Wat kunnen we van elkaar leren? Misschien is er dan, na de start, helemaal geen professional meer nodig. Maar dit is in de praktijk ingewikkeld. Helemaal in een stelsel waarin juist veel individuele begeleiding is ingekocht.’

Waar ben je trots op?

‘Ik ben er trots op dat we binnen Wijkteams Arnhem steeds scherper hebben hoe we willen werken. Wij zien mensen niet als een optelsom van problemen, maar als mensen die in de basis een goed leven willen leiden in verbinding met andere mensen en instituties. En wij geloven dat een mens zélf inzicht heeft in zijn of haar problemen, behoeften en mogelijkheden. En ook dat het begin van de oplossing in de mens zelf aanwezig is.’

‘We geloven dat het begin van de oplossing in de mens zelf aanwezig is.’

‘Daar trainen en ondersteunen we onze coaches ook in. We voeren daar bij Wijkteams Arnhem intern het gesprek over. Ik ben er trots op dat we dat niet alleen opschrijven, maar dit ook in praktijk brengen.

En ik ben ook positief over de ontwikkelingen die Arnhem maakt op dit gebied. Er is bij de gemeente, bij bestuur en politiek het besef dat het anders moet. De wil om te veranderen is er. We zijn met de gemeente in gesprek over een andere manier van inkopen, over een nieuw perspectief op welzijn. In een aantal wijken zijn we met wijknetwerken al aan de slag om met minder partijen te kijken hoe het anders kan. Dat zijn echt hoopvolle ontwikkelingen.’

Wat is uw boodschap richting politiek, zowel de gemeenteraad als Den Haag?

‘Mijn boodschap is: verleg de focus naar voren. Investeer meer in preventie, in collectieve oplossingen en in het versterken van de sociale basis. Blijf niet hangen in een systeem dat vooral individuele begeleiding organiseert. Stel de vraag: wat voor samenleving willen we zijn? Nu is de mind set van inwoners vaak: ‘Ik heb hier en daar recht op’. Ik denk bijvoorbeeld aan ouders die professionele hulp voor hun kind eisen, zonder zich af te vragen of zij zelf of hun netwerk niet wat meer kunnen doen? Dat zijn lastige gesprekken voor coaches en ook voor andere professionals en de politiek. Maar daar moeten we het wel over hebben.

‘We moeten met elkaar het gesprek voeren over onze samenleving’

We moeten met elkaar het gesprek voeren over onze samenleving: over weerbaarheid, over burgerschap en over wat we van elkaar mogen verwachten. Wat doen we als het leven tegenzit, zijn er mensen in de wijk die het leven draaglijk maken? We moeten investeren in die netwerken in de wijk.

Dat betekent ook dat we allemaal even in de spiegel moeten kijken. Op sociale media vertellen we elkaar hoe fantastisch het gaat, maar we moeten onze kwetsbaarheid met elkaar durven delen. Ik hoop dat we de komende jaren steeds beter worden in die beweging van individueel naar collectief, van doorverwijzen naar verbinden, van systeem naar mens. De kernvraag blijft voor mij: wie willen wij in deze samenleving voor elkaar zijn?’